Algemeen beeld: Hond van een evenredig type, iets langer dan hoog, met typische kroezen, krullen of koorden. Heeft het voorkomen van een intelligente hond, die steeds waakzaam en bedrijvig is, hij is harmonisch gebouwd, hij geeft een elegante en fiere indruk.

Gedrag/ karakter: Hij heeft een reputatie voor zijn getrouwheid, hij leert gemakkelijk aan en kan ook gemakkelijk opgeleid worden, het geen hem in het bijzonder een aangename gezelschapshond maakt.

Hoofd: Adellijk, rechtlijnig, goed in verhouding met het lichaam.
De hoofdlengte moet iets meer zijn dan 2/5 van de schofthoogte.
Het mag noch zwaar noch grof zijn, maar mag ook niet te verfijnd zijn. De vorm moet onder de overliggende huid goed te zien zijn.

SCHEDELGEDEELTE

 

Schedel: Goed gevormd. De breedte is iets minder dan de helft van de hoofdlengte (de hoek tussen schedelas en zijvlakken van het hoofd bedraagt 16 tot 19°). Van boven gezien ziet de schedel er in zijn geheel uit als een in de lengterichting liggend ovaal, terwijl hij in profiel gezien licht gewelfd is. De lengteassen lopen licht uit elkaar (divergerend).

 

Wenkbrauwbogen: Springen matig uit en zijn met lange haren bedekt.

 

Voorhoofdsgroeve: Breed tussen de ogen, wordt smaller naar de achterhoofdsknobbel toe, die sterk ontwikkeld is (deze mag bij de dwergen minder ontwikkeld zijn).

 

Stop: Zeer weinig aangeduid, zoals bij honden van evenredig type.

SNUITGEDEELTE

 

Neus: Scherp afgetekend en goed ontwikkeld, met verticaal profiel, goed geopende neusgaten. Zwarte neus bij de zwarte, witte en grijze honden. Kastanjebruin bij de bruine poedels, bij de abrikoos poedels gekleurd volgens het hele gamma van donker kastanjebruin dat tot zwart kan gaan, zonder dat deze laatste kleur de voorkeur geniet, maar aanvaard wordt om mogelijke depigmentatie te voorkomen.

 

Snuit: Rechte neusrug, de snuitlengte is ongeveer 9/10 van de  schedellengte. De beide heften van de onderkaak lopen nagenoeg evenwijdig. De snuit ziet er stevig en elegant uit, maar is niet puntig. Het benedenprofiel wordt bepaald door de onderkaak en niet door de boord van de bovenlip.

 

Lippen: Slechts weinig ontwikkeld, eerder droog, middelmatig dik. De bovenlip rust op de onderlip, zonder af te hangen.
Zwart bij de zwarte, grijze en witte poedels, gepigmenteerd bij de bruine. Bij de abrikoos poedels gekleurd volgens het gehele gamma van donker kastanjebruin dat tot zwart kan gaan, zonder dat deze kleur de voorkeur geniet, maar geaccepteerd wordt.
De mondhoek mag niet benadrukt worden.

 

Kaken gebit: Normaal sluitend, sterke tanden.
De afwezigheid van 1 M3 of M2 in de bovenkaak, of 1 M2 of M3 in de onderkaak zal niet bestraft worden bij het keuren of fokselectie.

 

Wangen: Niet uitstekend, vlak aan de botten. De bogen onder het oog zijn fijn gevormd en weinig gevuld. De kauwspieren, die de anatomische basis van de wangen zijn, zijn weinig ontwikkeld.
De jukbeenbogen steken slechts weinig uit.

 

Ogen: Pittige uitdrukking, gelegen ter hoogte van de stop en licht schuin geplaatst. De belijning van de oogleden geeft aan de ogen een amandelvorm. Zwart of zeer donkerbruin bij de zwarte, witte, grijze en abrikoos poedels. Bij de bruine poedels mogen de ogen donker amberkleurig zijn.

 

Oren: Vrij lang, afhangend langs de wangen, aangezet op het verlengde van de lijn die aan de bovenkant van de neus begint, onder de buitenkant van het oog doorgaat, vlak, vanaf de aanzet breder wordend en afgerond aan het uiteinde. Bedekt met gegolfde en zeer lange haren. De poedel, waarvan het oor de mondhoek niet raakt kan geen “ uitmuntend “ krijgen.

                    

Hals: Sterk, licht gebogen na de nek, middelmatig lang, goed geproportioneerd. Het hoofd wordt fier en hoog gedragen. Geen keelhuid. Ovale nekdoorsnede. De halslengte is kleiner dan die van het hoofd.

LICHAAM

 

Het algemeen voorkomen van een poedellichaam is harmonisch, waarbij de lichaamslengte gewoonlijk de schofthoogte overtreft.

Schoft: Middelmatig ontwikkeld. 

 

Rug: Harmonische belijning, kort. Hij mag noch gewelfd (karperrug), noch ingezakt (zadelrug) zijn. De hoogte van de grond tot de schoft is vrijwel dezelfde als die van de grond tot het kruis. 

 

Lendenen: Stevig en gespierd. 

 

Kroep: Gerond maar niet afvallend. 

 

Voorborst: Normaal als bij een middelbelijnde hond. Het uiteinde van het borstbeen moet licht uitspringen en ligt vrij hoog, waardoor het hoofd hoger, gemakkelijk en meer adellijk gedragen wordt. 

 

Borstkas: Komt tot de elleboog, de breedte is gelijk aan 2/3 van de diepte (vanaf de wervelkolom tot aan het borstbeen). De borstomtrek, achter de schouders gemeten, moet minstens 10 cm meer zijn dan de schofthoogte.

 

Ribben: Ovaal gewelfd, breed aan het ruggedeelte.

 

Buik en flanken: Opgetrokken zonder windhondachtig te zijn. 

 

Staart: Vrij hoge aanzet, ter hoogte van de lendenenlijn. Bij de kroespoedels moet de staart iets meer dan 1/3 vanaf het lichaam of tot op de helft van zijn natuurlijke lengte gecoupeerd worden. Een lange, maar goed gedragen staart is geen fout. Bij de koordpoedel mag hij in zijn gehele lengte behouden blijven. In actie wordt de staart schuin opgericht gedragen.

LEDEMATEN

VOORSTE LEDEMATEN

Voorbenen volledig recht en evenwijdig, elegant, goed gespierd en goed bot. De afstand van de elleboog tot de grond is 5/9 van de schoft tot de grond.

Schouders: Schuine schouders, gespierd. Het schouderblad vormt met de opperarm een hoek van 90 tot 100°. 

 

Opperarm: De lengte komt overeen met het schouderblad 

 

Polsen: Voorzetting van de voorste belijning van de onderarm. 

 

Voormiddenvoet:

Stevig, niet grof, en van terzijde gezien bijna recht. 

 

Voeten: Eerder klein, stevig, van ovale korte vorm. De tenen zijn goed gewelfd, compact, aaneengesloten door vlies, loodrecht staande op de harde en dikke voetzool. De nagels zijn zwart bij de zwarte en grijze poedels, zwart of bruin bij de bruine poedels. Bij de witte poedels mogen de nagels gekleurd zijn volgens het hele kleurgamma dat gaan van hoornkleurig tot zwart en moet met de pigmentatie overeenkomen. Witte nagels blijven een fout. Bij de abrikoos poedels moeten de nagels gekleurd zijn volgens het hele gamma van donkerbruin dat kan gaan tot zwart, zonder dat deze laatste kleur de voorkeur geniet, maar aanvaard wordt.

ACHTERSTE LEDEMATEN

Van achter gezien zijn de achterbenen evenwijdig geplaatst, goed ontwikkelde en zichtbare spieren. Het spronggewricht is vrij goed gehoekt. De hoeken, heup met dijbenen, dijbeen met onderbeen, en onderdijbeen met achtermiddenvoet moeten goed duidelijk zijn, teneinde een recht geheel te vermijden, dat soms een ongewenst afvallend kruis met zich meebrengt. 

Dijen: Goed gespierd en robuust.

 

Hakken en achtermiddenvoetgewricht: Recht geplaatst. De poedel moet zonder St hubertusklauwen geboren worden.

HUID

 

Soepel, niet los, getint. De zwarte, bruine, grijze en abrikoos poedels moeten een pigmentatie hebben in overeenstemming met hun vachtkleur. Voor de witte poedels is een zilverkleurige huid gewenst, maar de pigmentatie mag de vachtkleur niet veranderen. Er zijn ook witte poedels die een lichte huid hebben waarop spikkels voorkomen, niet alleen op de binnengedeeltes, hetgeen vaak voorkomt, maar ook op de rest van het lichaam, hetgeen geen fout is. De algemene pigmentatie moet in haar grootst mogelijke intensiteit worden nagestreefd, oogleden, neus, lippen, tandvlees, gehemelte, slijmvliezen, omtrek van de natuurlijke openingen, scrotum en voetzolen. Het moet zwart zijn bij de zwarte, witte en grijze poedels, donkerbruin bij de bruine poedels. Bij de abrikooskleurige poedels moet de kleur zo éénkleurig en zo donker mogelijk zijn, dit volgens het gehele gamma van donker kastanjebruin dat kan gaan tot zwart, zonder dat deze kleur de voorkeur geniet, maar aanvaard wordt om een mogelijke depimentatie te voorkomen.

VACHT

 

Krulpoedel: Een overvloedige beharing van fijne samenstelling, wollig, goed kroezend veerkrachtig en weerstand biedend aan de druk van de hand. De vacht moet zeer dik en dicht zijn, van gelijkmatig lengte en gelijke krullen vormend, in het algemeen gekamd. Het haar dat hard als paardenhaar aanvoelt bij aanraken is ongewenst en wordt achtergesteld op de voorgeschreven samenstelling.

Koordpoedel: Overvloedige vacht, fijne samenstelling, wollig en dicht, die kenmerkende koordjes vormt van gelijke lengte. Deze dienen minstens 20 cm lang te zijn. Hoe langer ze zijn, hoe meer ze gewaardeerd worden. De koordjes van beide zijden van het hoofd mogen met een bandje boven de oren worden vastgehouden. De koordjes van het lichaam dienen over beiden zijden verdeeld te worden, ten einde een wanordelijke vacht te vermijden.

GANGWERK

 

De poedel heeft een trippelende en lichte gang. Hij mag nooit een slepende of gestrekte draf hebben.

 

TOEGESTANE TENTOONSTELLINGSTOILETTEN

 

Leeuwentoilet:
De poedel, zowel met kroeshaar als met koorden heeft een geschoren achterhand tot aan de ribben. Moeten eveneens geschoren worden: de snuit, van onderen en van boven, vanaf de onderste oogleden, de wangen, de voor en achterbenen met uitzondering  van de polsmofjes of de armbanden en facultatieve motieven  op het achterdeel. De staart met uitzondering van een ronde of langwerpige pompon aan het uiteinde. Het dragen van een snor is voor alle exemplaren voorgeschreven. Het laten staan van de vacht op de achterbenen “broek” genaamd, is toegelaten.

 

Modern toilet:

Het laten staan van de vacht op de vier ledematen wordt toegestaan onder volgende nadrukkelijke voorwaarden:

Worden geschoren:Aan de voorbenen de voeten vanaf de nagels tot aan de duimen, aan de achterbenen de voeten tot aan gelijke  hoogte. Ook is het toegelaten alleen de tenen met de tondeuse van het haar te ontdoen.De snuit en staart zoals bij het leeuwentoilet.

Engels toilet:

Aan het “ leeuwentoilet” motieven op de achterhand toevoegen, dwz.  polsmoffen en armbanden. Op het hoofd een topknot. Voor dit toilet is de snor facultatief. Het onderbreken van een scheiding van de vacht op de achterpoten is toegestaan. De topknot is facultatief.

KLEUR 

 

Buin: moeten zuiver zijn, tamelijk donker, uniform en warm. De schakeringen in het bruin mogen niet tot een beige of de lichtere nuances daarvan reiken. Evenmin mag de vacht naar donker kastanjekleur toegaan, die te dicht bij het zwart ligt, dwz zeer donkerbruin of paarsachtige kleur.

Grijs: moet uniform van kleur zijn. De schakeringen in de effen kleur mogen noch het zwart noch het wit benaderen.

Apricot Fawn: moet uniform van kleur zijn, niet naar het beige of het crème neigen.

Red Fawn: nieuwe kleur  in standaard sinds 18-04-07.

GROOTTE

 

Grote Poedels: boven de 45 cm tot 60 cm, met een tolerantie van 2 cm. De grote poedel moet de vergrote en goed ontwikkelde weergave van de middenslagpoedel zijn, waarvan hij dezelfde eigenschappen behoud

Middenslag Poedels: boven de 35 cm tot 45 cm.

Dwerg Poedels: boven de 28 cm tot 35 cm. De dwergpoedel moet in zijn geheel hetzelfde aspect geven als de middenslagpoedel, kleiner, maar zoveel mogelijk met behoud van dezelfde verhoudingen, zonder dwerggroei ( nanisme ) te vertonen.

Toypoedels: onder de 28 cm ( na te streven ideale grootte is 25 cm ) niet kleiner dan 24 cm. De toypoedel moet hetzelfde aspect weergeven als de dwergpoedel en aan dezelfde algemene verhoudingen en vereisten van de standaard beantwoorden. Elk vertoon van dwerggroei is uitgesloten alleen de achterhoofdsknobbel mag minder

 

© by Brenda v/d Hoek